André Faaij
Negen vragen aan André Faaij, directeur wetenschap en technologie bij TNO
“De energietransitie? It’s all in the mix”

André Faaij is directeur wetenschap en technologie bij TNO Energie & Materialentransitie en hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en de Rijksuniversiteit Groningen. Volgens hem lukt de energietransitie alleen als we ons niet focussen op één soort duurzame energie. “It’s all in the mix.”
1. Waar zouden we u van kunnen kennen?
“Ik werk als directeur bij TNO aan concrete toepassingen in de energie- en materialentransitie. Het mooie is dat ik dat mag en kan doen met ongeveer 1.100 collega’s in die tak van sport. Dat op een totaal van 5.000 medewerkers bij TNO. Ik sla daarbij de brug tussen de praktijk en fundamenteel onderzoek via de leerstoelen bij mijn twee universiteiten. Die twee werelden lopen zo’n beetje door elkaar bij TNO en bij mij. Als TNO werken we nauw samen met de universiteiten. In mijn functie ben ik erop gericht dat verder aan te jagen. Met onderzoek en innovaties verleggen we telkens grenzen. Daarvoor heb je een richting nodig, vastgelegd in beleid. Maar ook de concrete onderzoeken en de harde technische innovaties. Dat alles in het geloof dat kennis helpt om concrete problemen zoals bij stikstof, het klimaat en de energietransitie op te lossen.”
2. Het zijn nogal opgaves waar we voor staan...
“Ja, dat klopt, maar ik ben een optimistisch mens. We hebben echt enorm innovatievermogen en kennis in Europa. Daarmee en met bestaande technieken die we kunnen verbeteren, kunnen we al die problemen oplossen. En dat ook nog eens op een economisch aantrekkelijke manier. Waar dat optimisme vandaan komt? Ik ben wetenschapper en denk en werk fact based. Om de energietransitie te pakken: we ontwikkelen en implementeren een zeer divers portfolio aan manieren om dat duurzame energiesysteem te realiseren. Zon, wind, biomassa, aardwarmte, waterstof, energiebesparing, nieuwe brandstoffen, circulaire industriële productie… We hebben die mix aan mogelijkheden nodig om klimaatneutraal te worden in Europa. Een van de grote fouten die we in Nederland maken, zeker in de politiek, is dat we kiezen voor of tegen een bepaalde technologie en dat ook geregeld weer veranderen. Terwijl we juist alle opties nodig hebben. Per bedrijf, per huishouden, per regio en per stad moeten we een slimme combinatie maken. Aan de kant van de grondstoffen kun je biobased materialen, door boeren verbouwd, gebruiken om chemicaliën en plastics van te maken in combinatie met gerecyclede plastics en CO₂-chemie.”
3. Netwerkbedrijven zijn in alle macht capaciteit aan het bijbouwen. Is dat logisch in die mix die jij voorstelt?
“Ja, ook die capaciteit hebben we nodig, alhoewel minder extreem als we slim omgaan met opslagtechnieken en flexibiliteit in elektriciteitsvraag. Op dit vlak vind ik wel dat we hebben zitten slapen in Nederland. Vijftien tot twintig jaar geleden wisten we al dat deze krapte aan netwerkcapaciteit eraan zat te komen. De duurzame doelstellingen waren er al, evenals de inzet op elektrificatie van transport, warmtevoorziening en industriële processen. Scandinavische landen hebben wel voorgesorteerd en zijn nu meer welvarend dan wij. Je ziet de verschillen erg terug in de energieprijzen. Die zijn bij ons heel hoog. Maar het heeft weinig zin om terug te kijken. Het is zoals het is. Nu moeten we het voorliggend probleem zo snel mogelijk alsnog oplossen.”
4. Waar denk je dan aan?
“Een voorbeeld: te veel zonnestroom in de zomer is lastig voor het net. In de winter, in de donkere dagen, heb je juist te weinig stroom. De piekvraag wordt aangejaagd door vooral warmtepompen en elektrische auto’s. Maar met elektriciteit kun je met warmtepompen veel warmte genereren in de zomer. Die kun je in een warmte/koudeopslag onder de grond bewaren. Op piekmomenten draaien de warmtepompen dan op vol vermogen en daarmee maak je water van ongeveer vijftig graden. Dat gaat in een waterbel onder de grond, zodat je dit later, in de winter, weer kunt gebruiken. Dan verlies je wel wat warmte, maar dat geeft niet. Je kunt die warmtepomp in de zomer ook gebruiken om te koelen. En in de winter temper je de stroomvraag sterk omdat je al warm water hebt. Dan sla je twee vliegen in één klap. Dit kan in grote delen van gebouwde omgevingen een rol spelen zoals Achmea Real Estate die vormgeeft, maar ook bijvoorbeeld in de glastuinbouw.”
“Daarnaast pleit ik ervoor dat elektrische auto’s energiehubs worden. Dat ze kunnen ontladen en opladen. Dat een netwerkbeheerder jou geldelijk beloont als je de batterij van jouw auto energie laat leveren om het net te balanceren. De vloot elektrische auto’s vertegenwoordigt een enorme opslagcapaciteit die kan helpen het net te balanceren. Kortom, je moet dus veel integraler kijken naar wat er nodig is. Dat geldt ook voor combinaties tussen spelers in de energiesector. Gas, elektriciteit en warmte worden nog te veel apart behandeld. Van elektriciteit naar warmte en gassen… Andere opslagmethoden en flexibele vraag… Op al die terreinen is nog heel veel te winnen.”
5. Wat belemmert ons om integraal te kijken?
“Zwalkend overheidsbeleid. Je wordt als bedrijf, maar ook als individu alle kanten op getennist. Dan worden elektrische auto’s aangemoedigd. Dan gaan de voordelen er weer vanaf. Dan promoten we met een terugleververgoeding zonnepanelen. Dan verdwijnt dat voordeel weer. Het gaat me niet per sé om die die precieze voordelen, maar om het feit dat er stabiel overheidsbeleid moet zijn. De markten van elektrische auto’s en zonnepanelen kunnen door het jojoën niet stabiel ontwikkelen. En die stabiliteit heb je wel nodig als je wilt dat individuen en bedrijven investeren. Goed om te weten is dat de zware industrie in Nederland de helft van de energie gebruikt. Tata Steel, petrochemie, agrofood… Daar zit een groot deel van onze welvaart en meteen een groot deel van de oplossing als we die industrie concurrerend weten te vergroenen en meer circulair te maken.”
“Daar is een duidelijke planning voor nodig 2050. In welke mate kunnen ze draaien op gerecyclede grondstoffen? Met welke processen en energiedragers gaat dat het meest efficiënt en goedkoopst? Ook daar ligt het antwoord in de mix. Net als het antwoord voor het individuele bedrijf of een huishouden in de mix ligt. Iedere partij moet de mix vinden die het beste bij hem of haar past. Iedereen kan dus ook zo’n ‘eigen’ plan voor de transitie tot aan 2050 maken. Doen we dat goed dan is het economisch perspectief gunstig. We zien uit grondige analyses dat blijven ‘hangen’ in fossiele brandstof duurder is dan een duurzame energievoorziening en industrie.”
6. Weet u nog wanneer u zich voor het eerst interesseerde voor duurzaamheid?
“Al vroeg op de middelbare school. Als jonge tiener vond ik het erg dat de bossen doodgingen door de zure regen. In de jaren tachtig was milieuwetenschap in opkomst en ik had in mijn pakket scheikunde. Dat was ook een van mijn favoriete vakken. Het was me ook al snel duidelijk dat veel problemen technisch van aard waren. Immers, je moet andere brandstoffen en zuiveringstechnieken gebruiken om de problemen te tackelen. Ik zat bij de eerste lichting milieukunde studenten aan de Universiteit Utrecht. Daar liep ik later coryfeeën als Kornelis Blok, Ad van Wijk en Wim Turkenburg tegen het lijf. Dat was superinteressant. Wim was toen al bezig met klimaatverandering. Genoemde mensen gaven me toen ook de mogelijkheid om er als milieuwetenschapper onderzoek naar te gaan doen. Dat was een fantastische omgeving omdat er ook veel diverse en internationale projecten liepen.”
7. Stel: u bent een dag dictator in Nederland en u heeft onbeperkte macht. Welk besluit neemt u dan?
“Dan zou ik wettelijk vastleggen wat het pad is naar een energie-autonoom Nederland in 2050 en welke mix we daarbij hanteren. Plus een plan om daar te komen. Daarin vat ik al die praktische technologische innovaties. Daarbij ga ik voor de meest efficiënte - ook in kosten - oplossingen. En dan leg ik dat uit. ‘We investeren hierin omdat ons dat als bevolking een goedkopere en robuustere energievoorziening oplevert. En omdat we een industrie opbouwen die op de grondstoffenmarkt circulair kan concurreren, zijn kennis kan exporteren en daarmee een verdienmodel heeft voor de toekomst. Ik snap dat dat plan niet meteen vanaf dag één rond is, maar we moeten er wel vol voor gaan.”
8. Hoe duurzaam bent u zelf bezig?
“Ik heb op drie plekken waar ik heb gewoond de huisvesting verduurzaamd. Met zonnepanelen, hybride warmtepompen en energiesystemen. Ik houd er niet van om nieuwe dingen kopen. Van laptop tot bank… Bij ons gaan spullen lang mee. Ik ben geen principiële vegetariër, maar we gaan wel zoveel mogelijk voedselverspilling tegen. En we eten seizoensgroenten. Als laatste noem ik dat ik veel met het openbaar vervoer reis. Nadeel van mijn functie is dat ik wereldwijd veel reis met het vliegtuig om ook in landen als Colombia of Zuid-Afrika duurzame initiatieven te nemen. Als we echt willen samenwerken met dat soort landen, ontkom ik niet aan vliegen. Ik probeer dat wel te beperken door meer contacten online af te handelen.”
9. Tot slot: je bent opvallend positief over de toekomst van Europa. Waarom?
“We moeten Europa van het gebruik van fossiele brandstoffen afhelpen. Maar dat kan alleen als we die duurzame energiemix werkend krijgen. Daar hebben we alle mogelijkheden voor. Europa is het rijkste continent ter wereld. Het is de grootste markt ter wereld. We hebben in de top tien de meest innovatieve economieën in de wereld. Het is een plek waar iedereen wil wonen. Kortom, we hebben zoveel troefkaarten in handen. Dat beseffen we ons vaak niet. Wat mij betreft is het dan ook tijd voor een Europese renaissance.”
